Muziek in een podcast: waarom artikel 7 WNR daar niet geldt en je de opname bij label en uitvoerenden zelf moet clearen

Een radiozender draait op dinsdagmiddag een track en hoeft daarvoor niemand te bellen. Dezelfde redactie zet donderdag een podcastaflevering online met dertig seconden uit precies dezelfde opname onder de intro, en vanaf dat moment geldt er een ander regime. Het verschil staat in de tweede volzin van artikel 7, eerste lid, van de Wet op de naburige rechten.

Wat artikel 7 WNR wel en niet dekt

De eerste volzin van dat lid laat toe dat een commercieel uitgebracht fonogram wordt uitgezonden of op een andere wijze openbaar gemaakt zonder toestemming van de fonogrammenproducent en de uitvoerende kunstenaars, mits daarvoor een billijke vergoeding wordt betaald. Die vergoeding loopt via de organisatie die op grond van artikel 15a WNR is aangewezen, in Nederland Sena, en artikel 7, vierde lid, verdeelt de opbrengst gelijk tussen de uitvoerende kunstenaar en de producent. Radio, televisie, winkel, café en festival lopen langs die route: gebruiken eerst, afrekenen achteraf. De tweede volzin zondert het beschikbaar stellen voor het publiek daarvan uit. Een podcastfeed doet precies dat: de luisteraar kiest zelf wanneer en waar hij luistert. Daarmee valt podcastgebruik terug op de exclusieve rechten van artikel 6, eerste lid, WNR bij de fonogrammenproducent en van artikel 2, eerste lid, WNR bij de uitvoerenden.

Twee lagen, twee tegenpartijen

Elke seconde muziek bevat twee lagen die los van elkaar worden verhandeld: het lied onder de Auteurswet, meestal in beheer bij Buma/Stemra en de uitgever, en de opname onder de Wet op de naburige rechten, bij het label en de uitvoerenden. Een aflevering raakt beide handelingen tegelijk, want de opname wordt in de montage gekopieerd en het resultaat wordt in een feed gezet. Bij oude artiesten- en sessieakten is de tekenbevoegdheid van het label voor de uitvoerenden een aanname die je controleert, want het beschikbaar stellen voor het publiek wordt daarin niet altijd genoemd.

De uitzending die later online komt

De scherpste rand zit bij de radio-uitzending die 's avonds als terugluisterbestand in een feed verschijnt. Dat is een zelfstandige handeling waarvoor de exclusieve rechten gelden. Voor de rechthebbende kantelt het beeld daarmee ook: bij een uitzending komt het geld ongevraagd binnen, bij on-demand gebruik komt er niets zolang niemand belt. Het artikel loopt de citaatvrijheid van artikel 15a Auteurswet en artikel 10 onder b WNR na, en sluit af met de zes punten die in een toestemming horen te staan voordat de aflevering online gaat: welke opname met ISRC, wie tekent namens de uitvoerenden, welke twee handelingen, welk gebied en welke termijn, welke dragers, en wie de vrijwaring draagt.

Meer lezen

Een onbetaalde studiofactuur maakt de studio nog geen rechthebbende

De laatste sessiedag is voorbij, de mix staat, en de factuur blijft onbetaald. Twee weken later vraagt de artiest om de bestanden en antwoordt de studio dat er eerst betaald moet worden. Beide partijen gaan er dan van uit dat de studio iets vasthoudt wat de ander nodig heeft, terwijl zelden scherp is welk ding dat precies is. Rond één opname liggen namelijk drie posities door elkaar: de drager waarop de bestanden staan, het fonogram met daarop het naburige recht van de producent, en het werk met daarop het auteursrecht van componist en tekstdichter. Een onbetaalde factuur raakt geen van die drie. Zij levert een vordering op, en wie geld te vorderen heeft wordt daarmee geen rechthebbende op de opname.

Waarom het retentierecht om de schijf sluit en niet om de opname

Artikel 3:290 BW geeft een schuldeiser de bevoegdheid de afgifte van een zaak op te schorten, en artikel 3:2 BW omschrijft zaken als de voor menselijke beheersing vatbare stoffelijke objecten. De drager is een zaak, het bestand niet. Geen van beide regimes werkt automatisch: er moet een opeisbare vordering zijn en voldoende samenhang met de opgeschorte verbintenis, en voor retentie ook feitelijke macht over de zaak en een verplichting tot afgifte daarvan. Is daaraan voldaan en gaat het om een schijf, tapespoel of toestel van de opdrachtgever, dan bestaat er een echt retentierecht, met de bijzondere derdenwerking van artikel 3:291 BW en het voorrecht bij verhaal van artikel 3:292 BW. Staan de bestanden alleen op de eigen systemen van de studio, dan is er geen zaak die moet worden afgegeven en resteert het gewone opschortingsrecht van artikel 6:52 BW. Dat kan op grond van artikel 6:53 BW ook tegen schuldeisers van de wederpartij worden ingeroepen, maar het mist het goederenrechtelijke voorrecht dat retentie wel geeft. Daar komt een productiepraktisch punt bij: rond een release bestaan minstens vier lagen — sessieproject, stems, mixdown en master — die bij verschillende partijen liggen, zodat een afspraak over "afgifte van de master" zonder laagaanduiding weinig betekent en opschorting op de verkeerde laag geen drukmiddel oplevert.

De vraag die het meeste geld beweegt

Artikel 1 onder d van de Wet op de naburige rechten wijst als producent van fonogrammen aan wie een opname voor de eerste maal vervaardigt of doet vervaardigen. De Hoge Raad legde die maatstaf op 17 december 2021 vast in het licht van de Conventies van Rome en Genève en het WPPT: producent is wie de organisatie van de eerste opname op zich neemt en daarvoor de financiële verantwoordelijkheid heeft. In feitelijke instanties was daarbij niet beslissend wat de productieovereenkomst bepaalde, maar de vastgestelde gang van zaken. Een studio die tegen dagtarief ruimte, apparatuur en een engineer levert terwijl artiest of label de opname organiseert en financiert, verricht een dienst en heeft het uitsluitend recht van artikel 6 Wnr niet: zij kan de exploitatie niet op die grondslag verbieden en de opname niet op eigen naam uitbrengen. Machteloos is zij daarmee niet, want een rechtmatige opschorting van de levering kan de release nog vertragen. Wettelijke producentstatus, een contractueel aandeel in de master en een overdracht of licentie zijn daarbij drie verschillende dingen: artikel 9 Wnr verlangt voor een overdracht een schriftelijke overeenkomst én de levering bij akte van artikel 3:95 BW, en voor een exclusieve licentie de schriftelijke overeenkomst. Het onderscheid is financieel beslissend, omdat artikel 7 lid 4 Wnr de billijke vergoeding voor commercieel uitgebrachte fonogrammen gelijkelijk verdeelt over uitvoerende kunstenaars en producent: een verkeerde producentaanmelding bij Sena kan de producentenvergoeding voor die opname misrouteren zolang de claim niet wordt gecorrigeerd, waarbij Sena vergoedingen maximaal drie jaar reserveert voor wie zich niet heeft aangemeld en onterechte betalingen tot vijf jaar na uitbetaling mag terugvorderen.

Vijf punten in de opdrachtbevestiging

Het artikel eindigt met vijf vragen die vóór de eerste sessiedag horen te zijn beantwoord: wie producent wordt en wie aanmeldt bij Sena, welke lagen in welk formaat worden geleverd en wie ze bewaart, of de afgifteplicht bij oplevering of bij betaling ontstaat, van wie de drager is waarop wordt geleverd, en wat er bij niet-betaling gebeurt — inclusief de vaststelling dat een pandrecht op het naburige recht eigen vestigingsformaliteiten kent en niet met een enkele bepaling in de opdrachtbevestiging tot stand komt. De spiegelversie geldt voor de artiest en het label, voor wie de eigen onderhandelingspositie uiteindelijk afhangt van de vraag op wiens schijf de bestanden staan.

Meer lezen