De laatste sessiedag is voorbij, de mix staat, en de factuur blijft onbetaald. Twee weken later vraagt de artiest om de bestanden en antwoordt de studio dat er eerst betaald moet worden. Beide partijen gaan er dan van uit dat de studio iets vasthoudt wat de ander nodig heeft, terwijl zelden scherp is welk ding dat precies is. Rond één opname liggen namelijk drie posities door elkaar: de drager waarop de bestanden staan, het fonogram met daarop het naburige recht van de producent, en het werk met daarop het auteursrecht van componist en tekstdichter. Een onbetaalde factuur raakt geen van die drie. Zij levert een vordering op, en wie geld te vorderen heeft wordt daarmee geen rechthebbende op de opname.
Waarom het retentierecht om de schijf sluit en niet om de opname
Artikel 3:290 BW geeft een schuldeiser de bevoegdheid de afgifte van een zaak op te schorten, en artikel 3:2 BW omschrijft zaken als de voor menselijke beheersing vatbare stoffelijke objecten. De drager is een zaak, het bestand niet. Geen van beide regimes werkt automatisch: er moet een opeisbare vordering zijn en voldoende samenhang met de opgeschorte verbintenis, en voor retentie ook feitelijke macht over de zaak en een verplichting tot afgifte daarvan. Is daaraan voldaan en gaat het om een schijf, tapespoel of toestel van de opdrachtgever, dan bestaat er een echt retentierecht, met de bijzondere derdenwerking van artikel 3:291 BW en het voorrecht bij verhaal van artikel 3:292 BW. Staan de bestanden alleen op de eigen systemen van de studio, dan is er geen zaak die moet worden afgegeven en resteert het gewone opschortingsrecht van artikel 6:52 BW. Dat kan op grond van artikel 6:53 BW ook tegen schuldeisers van de wederpartij worden ingeroepen, maar het mist het goederenrechtelijke voorrecht dat retentie wel geeft. Daar komt een productiepraktisch punt bij: rond een release bestaan minstens vier lagen — sessieproject, stems, mixdown en master — die bij verschillende partijen liggen, zodat een afspraak over "afgifte van de master" zonder laagaanduiding weinig betekent en opschorting op de verkeerde laag geen drukmiddel oplevert.
De vraag die het meeste geld beweegt
Artikel 1 onder d van de Wet op de naburige rechten wijst als producent van fonogrammen aan wie een opname voor de eerste maal vervaardigt of doet vervaardigen. De Hoge Raad legde die maatstaf op 17 december 2021 vast in het licht van de Conventies van Rome en Genève en het WPPT: producent is wie de organisatie van de eerste opname op zich neemt en daarvoor de financiële verantwoordelijkheid heeft. In feitelijke instanties was daarbij niet beslissend wat de productieovereenkomst bepaalde, maar de vastgestelde gang van zaken. Een studio die tegen dagtarief ruimte, apparatuur en een engineer levert terwijl artiest of label de opname organiseert en financiert, verricht een dienst en heeft het uitsluitend recht van artikel 6 Wnr niet: zij kan de exploitatie niet op die grondslag verbieden en de opname niet op eigen naam uitbrengen. Machteloos is zij daarmee niet, want een rechtmatige opschorting van de levering kan de release nog vertragen. Wettelijke producentstatus, een contractueel aandeel in de master en een overdracht of licentie zijn daarbij drie verschillende dingen: artikel 9 Wnr verlangt voor een overdracht een schriftelijke overeenkomst én de levering bij akte van artikel 3:95 BW, en voor een exclusieve licentie de schriftelijke overeenkomst. Het onderscheid is financieel beslissend, omdat artikel 7 lid 4 Wnr de billijke vergoeding voor commercieel uitgebrachte fonogrammen gelijkelijk verdeelt over uitvoerende kunstenaars en producent: een verkeerde producentaanmelding bij Sena kan de producentenvergoeding voor die opname misrouteren zolang de claim niet wordt gecorrigeerd, waarbij Sena vergoedingen maximaal drie jaar reserveert voor wie zich niet heeft aangemeld en onterechte betalingen tot vijf jaar na uitbetaling mag terugvorderen.
Vijf punten in de opdrachtbevestiging
Het artikel eindigt met vijf vragen die vóór de eerste sessiedag horen te zijn beantwoord: wie producent wordt en wie aanmeldt bij Sena, welke lagen in welk formaat worden geleverd en wie ze bewaart, of de afgifteplicht bij oplevering of bij betaling ontstaat, van wie de drager is waarop wordt geleverd, en wat er bij niet-betaling gebeurt — inclusief de vaststelling dat een pandrecht op het naburige recht eigen vestigingsformaliteiten kent en niet met een enkele bepaling in de opdrachtbevestiging tot stand komt. De spiegelversie geldt voor de artiest en het label, voor wie de eigen onderhandelingspositie uiteindelijk afhangt van de vraag op wiens schijf de bestanden staan.
Meer lezen