Een bandlid stapt op met de bandnaam: wat het Benelux-merk geeft (artikel 2.2 BVIE), wat een oudere handelsnaam en kwade trouw daartegen inbrengen en wat in het bandcontract hoort

Stel: een viermansband uit Nijmegen speelt zes jaar onder dezelfde naam. Er staan twee albums op Spotify, de band heeft een vaste plek in het najaarsprogramma van een paar poppodia en verkoopt shirts met het logo. Dan stapt de gitarist op. Binnen een maand staat hij met nieuwe muzikanten op een festivalaffiche, onder de oude bandnaam. De drie anderen ontdekken bovendien dat hij die naam twee jaar eerder op zijn eigen naam als Benelux-merk heeft ingeschreven. Wie mag nu verder als de band? Het antwoord hangt af van het merkregister, van oudere rechten op de naam, van de manier waarop de band zich zakelijk heeft georganiseerd en van wat de leden ooit op papier hebben gezet.

Lichte oefenzaal met de backline van een vierkoppige band: koraalrood drumstel, keyboard op standaard, basversterker met sunburst basgitaar en in het midden een lege turquoise gitaarstandaard naast een pedalboard met losse kabel


Wat de inschrijving van een bandnaam bij het BOIP geeft (artikel 2.2 BVIE)

In de Benelux ontstaat het merkrecht door inschrijving. Het Benelux-Verdrag inzake de intellectuele eigendom (BVIE) legt dat vast in artikel 2.2: het uitsluitend recht op een merk wordt verkregen door de inschrijving bij het Benelux-Bureau voor de Intellectuele Eigendom (BOIP). Een band die al jaren onder een naam optreedt maar die naam nooit heeft ingeschreven, heeft dus geen merkrecht op die naam. Jarenlang gebruik geeft in de Benelux-regeling geen merkrecht, behalve bij de zeldzame algemeen bekende merken.

Dat geeft de gitarist in het voorbeeld een sterke uitgangspositie, maar nog geen eindoordeel. Hij is de ingeschreven houder en kan anderen in beginsel verbieden de naam te gebruiken voor de diensten waarvoor het merk is ingeschreven, zoals muziekuitvoeringen en entertainment. In theorie kan hij zo zelfs zijn drie oud-bandleden een optreden onder de oude naam verbieden. Voor bands die ook buiten de Benelux spelen, bestaat het Uniemerk bij het EUIPO, dat in alle EU-lidstaten tegelijk geldt. Daarvoor geldt hetzelfde: wie inschrijft, is houder.


Waarom een oudere handelsnaam van de band ook tegenover een jonger merk telt (artikel 2.23 lid 2 BVIE)

De band in het voorbeeld trad al vier jaar onder de naam op voordat de gitarist het merk inschreef. Wie onder een naam een onderneming drijft, voert een handelsnaam, en een oudere handelsnaam kan ook tegenover een jonger merk gewicht hebben. Artikel 2.23 lid 2 BVIE bepaalt dat de merkhouder zich onder voorwaarden niet kan verzetten tegen het gebruik van een ouder recht dat alleen plaatselijk wordt erkend, binnen het gebied waar dat recht geldt. Hoe ver die bescherming reikt, is in de rechtspraak uitgewerkt: in de zaak Classic Coach Company (Hoge Raad, 19 februari 2021) stelde de Hoge Raad over het begrip "ouder recht" vragen aan het Hof van Justitie van de EU. Voor de band betekent dit dat drie vragen tegelijk spelen: wie de oudere handelsnaam voert (de band als geheel of één lid), in welk gebied die naam bekend is, en wat de leden onderling hebben afgesproken.


Wanneer de inschrijving van één bandlid nietig kan worden verklaard: kwade trouw onder artikel 2.2bis lid 2 BVIE

De drie achterblijvers staan niet machteloos. Artikel 2.2bis lid 2 BVIE bepaalt dat een merk nietig kan worden verklaard wanneer de aanvraag te kwader trouw is ingediend. Die nietigverklaring kan bij de rechter worden gevorderd en kan ook bij het BOIP zelf worden aangevraagd. Het BOIP heeft in zijn nietigheidsprocedure al meerdere keren op deze grond beslist, en de bewijslast ligt daar bij wie de nietigheid vraagt.

Wie zich op kwade trouw beroept, moet die aannemelijk maken. Het BOIP en de rechter kijken naar de omstandigheden op het moment van de aanvraag. Wist de gitarist dat de naam van de hele band was? Schreef hij de naam in zonder overleg, terwijl de anderen ervan uitgingen dat de naam gemeenschappelijk was? Gebruikte hij de inschrijving vooral als drukmiddel? De stukken die de gezamenlijke aanspraak en de omstandigheden van het depot kunnen onderbouwen, zijn vaak heel gewoon: een groepsapp waarin de naam samen werd gekozen, facturen van poppodia op naam van de band, een gedeelde bankrekening, een bandcontract of een e-mail waarin hij het depot meldde "voor ons allemaal". Een band die dat soort stukken bewaart, staat bij een nietigheidsvordering veel sterker.


Hoe de band als maatschap of vof meetelt en wat opzegging door één lid betekent (artikel 7A:1683 BW)

Naast het merkregister telt hoe de band zich zakelijk heeft georganiseerd, en zonder inschrijving is dat vaak de belangrijkste vraag. Een band die samen optreedt, gages deelt en kosten draagt, is in juridische zin al snel een maatschap of, bij optreden naar buiten onder een gemeenschappelijke naam, een vennootschap onder firma. Ook zonder inschrijving bij de KvK en zonder contract kan dat het geval zijn.

Voor de maatschap geeft artikel 7A:1683 BW de hoofdregel: de maatschap wordt ontbonden door opzegging van een vennoot aan de andere vennoten. Het vertrek van één bandlid beëindigt dus in beginsel de hele samenwerking, waarna het gezamenlijke vermogen wordt verdeeld. Een bandnaam die als handelsnaam in de onderneming is gebruikt, hoort bij dat vermogen. Artikel 7A:1686 BW voegt twee grenzen toe: een opzegging die in strijd is met de redelijkheid en billijkheid is vernietigbaar, en een maatschap voor bepaalde tijd kan alleen worden opgezegd als dat is afgesproken. De wet regelt in artikel 7A:1688 BW alleen de voortzetting na overlijden van een vennoot. Wil de band vooraf vastleggen dat de achterblijvers mogen doorgaan, dan hoort er een voortzettingsbeding in het bandcontract. Zonder zo'n beding kunnen de leden bij een vertrek alsnog afspreken wie doorgaat en wat de vertrekker krijgt; het gebruik en een eventuele overdracht van de naam moeten ze daarbij apart regelen.

Daarnaast is er de Handelsnaamwet. Artikel 5 Handelsnaamwet verbiedt het voeren van een handelsnaam die al eerder door een ander rechtmatig werd gevoerd, als daardoor bij het publiek verwarring te duchten is. Een vertrekkend lid dat met een nieuwe bezetting onder de oude naam gaat spelen in dezelfde zalen, loopt dat risico. Met de vraag wie de oudste rechthebbende is, komt de discussie weer terug bij wat de leden onderling hebben afgesproken.


Wat bij een split met de liedjes, de masters en de Sena-vergoedingen gebeurt

De ruzie over de naam laat de rechten op de muziek zelf grotendeels ongemoeid. Op de composities heeft ieder lid het auteursrecht voor het deel dat hij of zij heeft geschreven. De registratie bij Buma/Stemra volgt die afspraken en bepaalt ze niet zelf. Een vertrek verandert op zichzelf niets aan die verdeling. Het naburig recht op de opnames (artikel 2 Wet op de naburige rechten) blijft ook bestaan, en een vertrek verandert op zichzelf niets aan de aanspraak van een uitvoerende muzikant op de billijke vergoeding die Sena uitkeert voor uitzending en openbaarmaking van opnames waarop hij of zij te horen is. Uitbetaling vraagt wel een aanmelding bij Sena en een juiste registratie van de deelname per opname. Wie de masters bezit, volgt uit het contract met het label of uit de afspraak binnen de band als die zelf uitbracht. Een vertrekkend lid houdt dus zijn songaandeel en zijn Sena-aanspraken. De naam, de socials en het logo moeten de leden apart regelen. Over het logo op merchandise schreven we eerder in Bandmerchandise vóór de eerste druk: naam, beeld en opbrengst.


Zes afspraken over naam en vertrek die in een bandcontract horen

Een paar regels in een bandcontract voorkomen de meeste conflicten van dit soort. Deze zes punten verdienen een eigen artikel:

  1. Eigendom van de naam. Leg vast dat de naam van de band als geheel is, of van één met name genoemd lid, en wie het merk bij het BOIP op welke naam inschrijft.
  2. Voortzetting bij vertrek. Spreek af dat de overblijvende leden de band met naam en goodwill mogen voortzetten als één lid opzegt, en vanaf hoeveel vertrekkers dat recht vervalt.
  3. Uitkoopsom. Bepaal hoe het aandeel van een vertrekker in naam, apparatuur en lopende gages wordt berekend en binnen welke termijn het wordt betaald.
  4. Verwijzend gebruik. Regel of een oud-lid zich "ex-gitarist van" mag noemen, en in welke vorm. Het merkenrecht laat zo'n verwijzing onder voorwaarden toe; een duidelijke afspraak voorkomt discussie over de grens.
  5. Socials, domeinnaam en distributie-accounts. Leg vast wie de inloggegevens beheert en dat die bij de band blijven.
  6. Lopende boekingen. Spreek af wie al geboekte optredens speelt en hoe de gage wordt verdeeld. Voor de afspraken met een boekingsbureau zelf verwijzen we naar ons stuk over commissie, exclusiviteit en opzegtermijn bij een boekingsbureau.

Een opzegtermijn van een paar maanden helpt ook. Het vertrekkende lid kan dan de geboekte optredens nog afspelen, en de anderen hebben tijd om een vervanger in te werken voordat de nieuwe bezetting het podium op moet.

Speel je in een band en is er nog niets op papier gezet, dan is nu een goed moment. Met onze bandcontract-generator zet je de afspraken binnen je band op papier, inclusief wat er met de naam gebeurt als iemand stopt. Heb je al een contract, of een voorstel van een label of boekingsbureau waarin de bandnaam ter sprake komt? Laat het dan eerst door de contractscan lezen. Zo weet je waar de naam van je band terechtkomt voordat je tekent.