Artikel 25ca Auteurswet: welke exploitatiecijfers je uitgever je elk jaar moet geven, en wat je doet als ze uitblijven

De jaarafrekening van een muziekuitgever bestaat vaak uit één pdf van twee kantjes. Bovenaan de periode, daaronder een regel “streaming”, soms een regel “overig”, onderaan een bedrag. Wie vraagt hoe dat bedrag is opgebouwd, krijgt regelmatig te horen dat de cijfers van de subuitgever komen en dat ze zo worden doorgegeven. De Auteurswet stelt sinds kort een ondergrens aan zo’n opgave. De Nederlandse implementatiewet van de EU-richtlijn auteursrecht in de digitale eengemaakte markt trad op 7 juni 2021 in werking, en de transparantieverplichting die daaruit voortvloeit geldt op grond van de overgangsbepaling van de richtlijn vanaf 7 juni 2022. Het artikel dat haar in Nederland regelt, artikel 25ca Auteurswet, wordt in de muziekpraktijk zelden aangehaald.

Close-up van een negentien-inch studio-patchbay in driekwart aanzicht op een donker eiken bureaublad: de geborstelde aluminium voorplaat vult bijna het hele beeld, met twee rijen nikkelen jackpoorten, het linker rackoor met montagesleuven in beeld, en precies in het midden van de plaat één klein amberkleurig controlelampje dat brandt

Vooraf één afbakening. Hoofdstuk 1a van de Auteurswet, waarin artikel 25ca staat, gaat over de maker en zijn auteursrecht: de componist, de tekstschrijver, de arrangeur voor zover hij een eigen werk maakt. Wat hieronder staat gaat dus over de exploitatie van songs en van andere auteursrechtelijk beschermde werken. De naburige rechten van de uitvoerend kunstenaar en van de fonogrammenproducent hebben hun eigen wettelijke regime in de Wet op de naburige rechten, en dat blijft in dit stuk buiten beeld.


Wat artikel 25ca lid 1 eist: exploitatiewijzen, inkomsten en vergoeding, eens per jaar

De tekst van het eerste lid is kort. Een maker die aan zijn wederpartij een exploitatiebevoegdheid heeft verleend, wordt door die wederpartij of haar rechtsopvolger ten minste eens per jaar geïnformeerd over de exploitatie van het werk, en wel over de exploitatiewijzen, de daarmee gegenereerde inkomsten en de verschuldigde vergoeding. De informatie moet actueel, relevant en volledig zijn, en er moet rekening worden gehouden met de specifieke kenmerken van elke sector.

Drie dingen vallen daaraan op. De plicht loopt uit zichzelf: de wet legt de verstrekking bij de wederpartij, zodat een maker er niet om hoeft te vragen. De plicht is uitgesplitst naar exploitatiewijze, en voor een song komt dat in de praktijk neer op afzonderlijk zicht op mechanische reproductie, streaming, download, synchronisatie, uitvoeringsrechten en licenties aan derden. Die rubrieken staan niet als schema in de wet; ze zijn de sectorspecifieke invulling waarop lid 1 zelf aanstuurt, en een enkele regel “digitaal” is bij een repertoire van enige omvang moeilijk als volledig te verdedigen. En de plicht ziet op de gegenereerde inkomsten naast de verschuldigde vergoeding, dus op wat er binnenkwam voordat de afdrachten, kosten en eventuele recoupment eraf gingen.

In de studio is die administratie een oude gewoonte. Een producer die een mix over drie jaar moet kunnen terughalen, houdt een recall sheet bij: welk kanaal, welke insert, welke stand. Niemand vindt dat overdreven, omdat iedereen weet dat een mix zonder die documentatie niet reconstrueerbaar is. Artikel 25ca vraagt dezelfde discipline aan de geldkant van hetzelfde werk, en legt die bij de partij die de exploitatie doet.


Wie er onder valt volgens artikel 25b, en waarom Buma/Stemra erbuiten valt

Artikel 25b bepaalt het bereik van het hele hoofdstuk. Lid 1 verklaart de regeling van toepassing op een overeenkomst die de verlening van exploitatiebevoegdheid ten aanzien van het auteursrecht tot doel heeft: de uitgaveovereenkomst, de exclusieve licentie, de overeenkomst met een sublicentiegever. Lid 4 trekt de regeling door naar de erfgenaam of legataris die het auteursrecht heeft verkregen, wat voor catalogi met overleden schrijvers uitmaakt.

Lid 3 haalt er twee categorieën uit. De maker van artikel 7 of 8 — het werk dat in dienstverband of onder de naam van een rechtspersoon tot stand komt — valt buiten het hoofdstuk. En, belangrijker voor de dagelijkse praktijk: op overeenkomsten met een collectieve beheersorganisatie is dit hoofdstuk met uitzondering van artikel 25f niet van toepassing. Je aansluitingscontract met Buma/Stemra levert dus geen aanspraak op onder artikel 25ca; die verhouding loopt langs het toezichtregime voor beheersorganisaties en langs het repartitiereglement. Spreek je je uitgever aan op de doorbetaling van het aan jou toekomende deel, dan zit je wel in dit hoofdstuk.

Artikel 25h maakt de bepalingen dwingend: de maker kan er geen afstand van doen. Het tweede lid trekt de regeling ook over de grens. Ongeacht het recht dat de overeenkomst beheerst gelden deze artikelen wanneer de overeenkomst zonder rechtskeuze door Nederlands recht zou worden beheerst, of wanneer de exploitatiehandelingen geheel of in overwegende mate in Nederland plaatsvinden of dienen plaats te vinden. Een Nederlandse schrijver met een contract onder het recht van Engeland of New York verliest zijn recht op de jaarlijkse opgave daarmee niet zonder meer.


Lid 2: de licentienemer levert de cijfers die je uitgever niet heeft

Heeft de wederpartij ten behoeve van de exploitatie een licentie aan een derde verleend en beschikt zij niet over alle informatie uit lid 1, dan verstrekt de licentienemer de ontbrekende informatie — aan de maker en aan de wederpartij, op verzoek van één van hen. Daarnaast krijgt de maker desgevraagd informatie over de identiteit van de licentienemer. Dat tweede stukje is in de subuitgavepraktijk het bruikbaarst, omdat het de keten zichtbaar maakt voordat de discussie over bedragen begint. Hoe die keten inhoudelijk afrekent, aan de bron of op ontvangst, werkten we eerder uit in Subuitgave in het buitenland: afrekenen aan de bron of op ontvangst; hieronder gaat het over de procedure waarmee je die cijfers opvraagt en over wat je doet als ze niet komen.


De twee uitzonderingen van lid 3 en lid 4

Lid 3 zegt dat de informatieverplichting niet geldt wanneer het aandeel van de maker bij de totstandkoming van het gehele werk niet significant is. Bij een song met vier schrijvers en een topliner met een klein aandeel wordt dat argument gebruikt. De wet koppelt significantie niet aan een percentage, en een aandeel is dus niet doorslaggevend omdat het laag is. De uitzondering heeft bovendien een eigen uitweg: zij vervalt als de maker aantoont dat hij de informatie nodig heeft om een beroep op artikel 25d te kunnen doen. Wie onderbouwt waarvoor hij de cijfers wil gebruiken, haalt haar daarmee onderuit.

Lid 4 werkt anders. Zijn de administratieve lasten van het verstrekken aantoonbaar onevenredig gelet op de exploitatie-inkomsten van het werk, dan is de plicht beperkt tot de informatie die onder de omstandigheden redelijkerwijs te verwachten is. Dat beperkt de omvang van de opgave en geeft geen vrijstelling, en de partij die zich erop beroept zal de onevenredigheid aannemelijk moeten maken. Bij een titel die per jaar enkele tientallen euro’s opbrengt is een korte opgave goed verdedigbaar; bij een titel die in een campagne is gesynchroniseerd wordt dat verweer aanzienlijk zwaarder.


Waarom de opgave de ingang is voor artikel 25d

Artikel 25d geeft de maker de mogelijkheid in rechte een aanvullende billijke vergoeding te vorderen wanneer de overeengekomen vergoeding, gelet op de wederzijdse prestaties, een onevenredigheid vertoont in verhouding tot de opbrengst van de exploitatie. Het tweede lid opent daarnaast een route naar de derde aan wie het auteursrecht is overgedragen of gelicentieerd, maar onder een voorwaarde die makkelijk over het hoofd wordt gezien: die vordering staat alleen open wanneer de onevenredigheid is ontstaan nadat het recht aan die derde is overgedragen of gelicentieerd, en dan nog slechts voor zover de opbrengst aan die derde toekomt. Is de scheefheid al bij het sluiten van je eigen contract ontstaan, dan blijft je wederpartij het adres.

Beide leden vragen om bedragen. Zonder uitgesplitste cijfers is de onevenredigheid niet te berekenen en blijft de vordering een vermoeden, en dat verklaart waarom de wetgever de informatieplicht vóór de aanpassingsbepaling heeft geplaatst en in lid 3 uitdrukkelijk naar artikel 25d verwijst. Een vergelijkbare afhankelijkheid van cijfers speelt bij ingehouden royalty’s wegens vermeende streamingfraude, waarover we schreven in Wie bewijst dat een stream echt was?.


Hoe je de opgave opvraagt, en wat je doet als ze onvolledig binnenkomt

De plicht loopt uit zichzelf, maar in de praktijk begint het bijna altijd met een bericht van de maker. Een verzoek dat werkt, is kort en vraagt om afgebakende dingen. Noem het werk met de titel en het ISWC of het werknummer bij je uitgever, noem de periode waarover je de opgave wilt, en vraag om deze zes onderdelen: de exploitatiewijzen waarlangs in die periode inkomsten zijn gegenereerd, de inkomsten per exploitatiewijze en per territorium, het aan jou verschuldigde bedrag met de toegepaste inhoudingen en verrekeningen apart, de identiteit van elke licentienemer aan wie voor jouw werk een licentie is verleend, de stand van een eventuele recoupment, en de bron waarop de cijfers berusten. Beroep je uitdrukkelijk op artikel 25ca lid 1 en, waar de keten doorloopt, op lid 2. Zet er een redelijke reactietermijn bij, bijvoorbeeld dertig dagen, en stuur het schriftelijk zodat je later kunt aantonen wanneer je het hebt gevraagd.

Komt er niets, of komt er één regel “streaming”, dan is dat geen eindpunt. Vier stappen die in die volgorde meestal het snelst werken:

  1. Herhaal het verzoek en benoem per onderdeel wat ontbreekt. Een opgave zonder uitsplitsing naar exploitatiewijze en zonder de gegenereerde inkomsten is op de tekst van lid 1 aanspreekbaar, en die precisie voorkomt dat het gesprek een kwestie van toon wordt.
  2. Vraag om de identiteit van de licentienemers en richt je verzoek daarna rechtstreeks tot de licentienemer voor het deel dat je wederpartij zegt niet te hebben. Lid 2 geeft je die ingang.
  3. Toetst je wederpartij het verzoek aan de uitzondering van lid 3, leg dan vast waarvoor je de cijfers nodig hebt. Onderbouw concreet waarom je de ontbrekende informatie nodig hebt om een beroep op artikel 25d te kunnen doen; alleen de aankondiging daarvan volstaat niet.
  4. Blijft het uit, kijk dan naar de geschillenroute hieronder, en leg intussen vast wat je wanneer hebt gevraagd. Die correspondentie is later het bewijs dat de informatie is geweigerd en niet vergeten.


Weigert je wederpartij: artikel 25g en de Geschillencommissie Auteurscontractenrecht

Artikel 25g geeft de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap de bevoegdheid een geschillencommissie aan te wijzen voor geschillen tussen een maker en zijn wederpartij of een derde over de toepassing van de artikelen 25c tot en met 25f. Artikel 25ca valt binnen die reeks. Op die grondslag is de Geschillencommissie Auteurscontractenrecht aangewezen. Of zij een concreet geschil verder behandelt, hangt af van haar eigen voorwaarden: de exploitant moet zijn aangesloten of met behandeling instemmen, en voor voortzetting tot een uitspraak is de instemming van beide partijen nodig. Het derde lid van artikel 25g voegt daaraan toe dat een geschil ook kan worden aangebracht door een vereniging of stichting die de belangen van makers behartigt, wat voor een individuele schrijver tegenover een internationale uitgever in drempel en kosten scheelt.

Het tweede lid bevat de bepaling die een uitspraak gewicht geeft. Wordt het geschil niet binnen drie maanden nadat het afschrift van de uitspraak aan partijen is verzonden bij de rechter aanhangig gemaakt, dan wordt hetgeen in de uitspraak is vastgesteld geacht te zijn overeengekomen tussen partijen. Let op de keerzijde van de verenigingsroute: volgens de voorwaarden van de commissie zijn uitspraken in anoniem of door een stichting of vereniging aangebrachte geschillen niet bindend. Die route verlaagt dus de drempel, en levert een oordeel op dat je daarna zelf nog moet verzilveren. Lees het reglement van de commissie voordat je kiest welke route je neemt.


Zes punten voor je contract, vóór de eerste afrekening

De wettelijke ondergrens is een startpunt, en een uitgave- of licentiecontract kan er ruim boven gaan zitten. Zes punten die het verschil maken op het moment dat de eerste opgave binnenkomt:

  1. Frequentie en uiterste datum. Leg halfjaarlijkse rapportage vast met een uiterste dag na afloop van de periode, bijvoorbeeld negentig dagen. De wettelijke termijn van eens per jaar is een bodem.
  2. Uitsplitsing. Per exploitatiewijze en per territorium, met de bruto-inkomsten naast het aan jou verschuldigde bedrag en de toegepaste inhoudingen apart benoemd.
  3. De keten. De namen van subuitgevers en licentienemers, plus de plicht van je wederpartij om de informatieverplichting in haar eigen licenties door te leggen.
  4. Auditclausule. Een controlerecht met een redelijke termijn, toegang tot de onderliggende rapportages van derden, en een kostenregeling waarbij de kosten voor rekening van de exploitant komen zodra de afwijking boven een afgesproken percentage uitkomt.
  5. Geen korte vervaltermijn op bezwaren. Een beding dat een opgave na dertig dagen onaantastbaar maakt, is een kandidaat voor vernietiging als onredelijk bezwarend beding onder artikel 25f lid 2.
  6. Rechtskeuze en exploitatiegebied. Houd er rekening mee dat artikel 25h lid 2 het hoofdstuk ook bij een buitenlandse rechtskeuze van toepassing kan verklaren, en leg vast waar de exploitatie plaatsvindt.

Een opgave die aan lid 1 voldoet is bovendien het goedkoopste bewijsmateriaal dat je kunt hebben. De discussies die daarna nog ontstaan gaan over de cijfers zelf.

Loop je eigen uitgave- of licentiecontract eens langs op deze zes punten, en leg de laatste afrekening ernaast. De contractscan van M&R leest de rapportage-, audit- en vervalbedingen na en zegt welke daarvan zich slecht verhouden tot de dwingende bepalingen van hoofdstuk 1a, zodat je weet welk verzoek je met welke bepaling kunt onderbouwen.


Bronnen