De mail kwam op een dinsdag en was vriendelijk geformuleerd. Een aanbieder van een muziekmodel wilde een licentie op de catalogus van de uitgeverij, voor training, tegen een bedrag per werk. De uitgever stuurde het voorstel door aan de componist met wie hij sinds 2003 werkt. Zij wilde vier titels buiten de deal houden, waaronder twee die zij ooit voor een overleden collega had afgemaakt. Toen kwam de vraag die niemand aan tafel kon beantwoorden: had zij die vier titels überhaupt kunnen weigeren, en waar had die weigering dan moeten staan?

Wat artikel 15o Auteurswet toestaat, en welke ene voorwaarde het weer uitschakelt
Sinds de implementatie van de auteursrechtrichtlijn uit 2019 staat in de Auteurswet een uitzondering die de meeste makers nooit hebben gelezen. Artikel 15o lid 1 bepaalt dat een reproductie in het kader van tekst- en datamining geen inbreuk oplevert, mits degene die de mining verricht rechtmatig toegang heeft tot het werk "en het auteursrecht door de maker of zijn rechtverkrijgenden niet uitdrukkelijk op passende wijze is voorbehouden, zoals door middel van machinaal leesbare middelen bij een online ter beschikking gesteld werk". Artikel 15n gaat daaraan vooraf en regelt hetzelfde voor onderzoeksorganisaties en erfgoedinstellingen; van dat artikel kan volgens lid 4 niet bij overeenkomst worden afgeweken, en er staat geen voorbehoud tegen open.
De volgorde van artikel 15o is waar het voor de muziekpraktijk om draait. Minen mag, tenzij er een voorbehoud is gemaakt. Wie niets doet, geeft geen toestemming en verliest ook geen aanspraak, maar staat wel met lege handen tegenover een partij die zich op de uitzondering beroept. De licentie waarover de uitgever in de mail onderhandelde, wordt voor een groot deel bepaald door de vraag of dat voorbehoud tijdig en vindbaar bestond; toegang, garanties en gebruik buiten de uitzondering houden daarnaast hun eigen waarde. Dat is een ander vertrekpunt dan bij de masterkant, waar een label eenvoudigweg licentieert wat het bezit; over die kant ging de labeldeal waarin trainingsrechten een eigen inkomstenstroom werden.
De wet noemt twee bevoegde partijen: de maker én zijn rechtverkrijgenden
Artikel 15o spreekt van "de maker of zijn rechtverkrijgenden". In een muziekuitgeefketen zijn dat er zelden twee. Er is de componist, er is de uitgever aan wie het uitgaverecht is overgedragen, er is vaak een subuitgever voor een of meer landen, en er is de erfgenaam van de collega die is overleden. De richtlijn waarop de bepaling teruggaat, artikel 4 van richtlijn (EU) 2019/790, spreekt van rechthebbenden; de Nederlandse tekst noemt de maker uitdrukkelijk náást zijn rechtverkrijgenden. Dat betekent niet dat zij allemaal tegelijk over hetzelfde kunnen beschikken. Per aandeel, per territorium en per bevoegdheid moet worden vastgesteld wie het reproductierecht op dat punt houdt, of wie het voorbehoud namens de rechthebbende mag uitoefenen. Wie het reproductierecht voor een gebied bij akte heeft overgedragen of exclusief heeft gelicentieerd, beschikt daar in zoverre niet meer over; wie zijn aandeel of een ander gebied hield, wel. Welke bevoegdheid precies is overgegaan, staat in de akte en niet in de aanhef van het contract.
Voor Nederlands repertoire is het beeld sinds kort minder leeg dan die opsomming suggereert. BumaStemra meldt dat zij haar opt-outrecht onder artikel 15o lid 1 heeft ingeroepen voor het repertoire dat zij beheert: wie dat repertoire voor AI-ontwikkeling wil minen, moet volgens die mededeling vooraf toestemming vragen. Dat verandert het vertrekpunt aanzienlijk, en het lost het probleem niet op. Houd daarbij drie dingen uit elkaar. De aankondiging is er en is openbaar. Het mandaat bepaalt waarvoor zij geldt. En de technische kenbaarheid is een derde vraag: de mededeling laat niet zien hoe het voorbehoud bij elke afzonderlijke online vindplaats op passende, machineleesbare wijze is geuit, terwijl artikel 15o en artikel 4 lid 3 van de richtlijn juist daarop zien. Een collectief voorbehoud reikt zo ver als het mandaat: het dekt de rechten die daadwerkelijk in beheer zijn gegeven, voor de gebieden waarvoor dat geldt, en voor de aandelen die de aangesloten maker of uitgever inbrengt. Een werk met een niet-aangesloten medeauteur, een aandeel dat buiten het mandaat valt, een territorium dat elders is ondergebracht, een opname of tekst die niet onder dat beheer valt: daar geldt het collectieve voorbehoud niet, en daar is het aan de partijen zelf.
Daaruit volgen twee dingen tegelijk. Een voorbehoud werkt voor het recht en het aandeel waarover de partij die het maakt op dat moment daadwerkelijk beschikt, ook als een andere schakel in de keten liever had gelicentieerd. En omgekeerd kan geen van hen in zijn eentje garanderen dat het voorbehoud het hele werk dekt, want geen van hen beschikt over alle aandelen en ziet alle vindplaatsen. In de praktijk levert dat zelden een conflict op over wie het mócht doen. Het levert op dat een gat blijft staan waarvan iedereen aanneemt dat een ander het heeft gedicht.
Wat een uitgeefcontract uit 2003 hierover zegt, gelezen langs artikel 2 lid 3 Auteurswet
De uitgever in het voorbeeld dacht dat hij bevoegd was omdat hij het auteursrecht geleverd had gekregen. Artikel 2 lid 3 van de Auteurswet maakt dat minder vanzelfsprekend. De tweede volzin bepaalt dat een overdracht door de maker "alleen die bevoegdheden die uitdrukkelijk in de overeenkomst staan vermeld of die uit de aard en de strekking ervan noodzakelijkerwijs voortvloeien" omvat. Een contract uit 2003 vermeldt tekst- en datamining niet, om de eenvoudige reden dat de bepaling pas achttien jaar later in de wet stond.
Of de bevoegdheid dan noodzakelijkerwijs voortvloeit uit aard en strekking, is een echte vraag met twee verdedigbare antwoorden. Vóór de uitgever pleit dat mining reproductie raakt en dat het beheer van reproductierechten nu juist is wat hij heeft overgenomen. Tegen hem pleit dat een voorbehoud geen exploitatiehandeling is: het is een beslissing om een wettelijke uitzondering niet te laten werken, en die beslissing brengt geen inkomsten binnen maar houdt gebruik tegen. Wie in 2003 het beheer van zijn exploitatie uit handen gaf, gaf daarmee niet zichtbaar de zeggenschap weg over de vraag of zijn werk voer voor een model mag zijn.
Deze vraag hoeft niemand uit te procederen. Een addendum van een halve pagina lost hem op, en het auteurscontractenrecht zet daar druk achter. Artikel 25f lid 2 maakt een beding vernietigbaar dat, gelet op aard en inhoud van de overeenkomst en de wederzijds kenbare belangen, voor de maker onredelijk bezwarend is. Een clausule waarin de uitgever de componist verbiedt zelf een voorbehoud te maken, is daarvoor een serieuze kandidaat. Een gewone verdeelsleutel voor trainingsinkomsten is dat niet vanzelf: die toets loopt langs aard en inhoud van de overeenkomst en de wederzijds kenbare belangen, en valt per geval uit. Lid 1 doet hetzelfde met bedingen die voor onvoldoende bepaalde termijn aanspraken op toekomstige werken inhouden. Hetzelfde artikel dat de bewerker bij het autorisatiecontract beschermt, werkt hier voor de componist.
Waarom het voorbehoud alleen werkt op een plek die de rechthebbende niet beheert
De wet noemt als voorbeeld van een passende wijze: machinaal leesbare middelen bij een online ter beschikking gesteld werk. Daarmee verplaatst de vraag zich van bevoegdheid naar adres. Wie stelt het werk online ter beschikking? De streamingdiensten, de distributeur, de sync-bibliotheek, het YouTube-kanaal van het label, de demopagina van de uitgever. De componist beheert geen van die servers.
Hoe zo'n machineleesbaar voorbehoud er technisch uitziet, is inmiddels uitgewerkt. Het TDM Reservation Protocol van het W3C, in de versie van 10 mei 2024, beschrijft voor webcontent drie technieken — een HTTP-header bij het bestand, een bestand op een vaste plek op het domein, en een verwijzing in de HTML van de pagina — en daarnaast methoden voor EPUB- en PDF-bestanden. De drie webtechnieken zitten alle vast aan het domein waarop het werk staat. De partij met de bevoegdheid beheert de vindplaats niet, en de partij met de vindplaats heeft de bevoegdheid niet. Daartussen zit geen wettelijke brug; daar zit een contract, of er zit niets.
Dat probleem is minder nieuw dan het lijkt. Neem als beperkte historische illustratie de plaats waar rechtenmededelingen in de muziek gewoonlijk terechtkwamen: gedrukt op het voorwerp zelf, onder aan bladmuziek en als regel op het plaatlabel. Die mededeling kwam daar terecht via de partij die het voorwerp vervaardigde. Dat is geen sluitend overzicht van de rechtsgeschiedenis, maar het laat zien wat er is veranderd: de mededeling en de drager kwamen uit dezelfde keten. De regel uit de Auteurswet vraagt om dezelfde mededeling op een drager die van een ander is. Het plaatlabel is er nog, maar de rand eromheen wordt nu beheerd door een dienst die geen partij is bij het uitgeefcontract.
Wat artikel 53 van de AI-verordening sinds 2 augustus 2025 van modelaanbieders eist
Aan de andere kant van de tafel is er wel iets bijgekomen. De AI-verordening verplicht in artikel 53 aanbieders van AI-modellen voor algemene doeleinden tot een beleid om het Unierechtelijke auteursrecht na te leven, en in het bijzonder om een gemaakt voorbehoud te identificeren en te eerbiedigen, ook met behulp van geavanceerde technologieën. Daarnaast moeten zij een voldoende gedetailleerde samenvatting publiceren van de inhoud die voor de training is gebruikt, volgens een sjabloon van het Europese AI-bureau. De richtsnoeren van de Commissie werken die verplichtingen uit. Zij gelden sinds 2 augustus 2025 voor modellen die vanaf die datum op de markt komen; voor modellen die er al eerder waren, geldt in beginsel een overgangstermijn tot 2 augustus 2027. Een aanbieder die zich op die termijn beroept, hoeft aan die specifieke verplichting dus mogelijk nog niet te voldoen.
Voor een uitgeverij levert dat geen nieuwe aanspraak op, maar wel twee bruikbare dingen: een aanspreekbare wederpartij met een eigen nalevingsdocument, en een openbaar stuk dat vragen mogelijk maakt. Verwacht van die samenvatting geen titellijst. Het sjabloon van het AI-bureau vraagt om categorieën, datasets en de grote openbare bronnen, niet om een opgave werk voor werk. Het levert aanknopingspunten voor een gesprek en voor een vraag naar het nalevingsbeleid, geen bewijs per titel.
Zes plaatsen waar het voorbehoud moet landen voordat het iets doet
- De akte. Leg in een addendum bij het uitgeefcontract vast wie het voorbehoud maakt, voor welke werken en aandelen, en dat de andere partij het niet eenzijdig intrekt. Dit is de enige plaats waar de vraag uit artikel 2 lid 3 definitief van tafel gaat.
- De eigen domeinen. Kies per vindplaats één techniek uit het W3C-protocol in plaats van alle drie door elkaar: de HTTP-header is daar de voorkeursroute. Zet u er toch meer dan één, houd de waarden dan aantoonbaar gelijk en volg de voorrangsvolgorde die het protocol geeft, want tegenstrijdige signalen ondergraven het voorbehoud. Voeg daarnaast een leesbare regel toe in de voorwaarden.
- De bestanden zelf. Zet het voorbehoud in de metadata van de audiobestanden en in de begeleidende gegevens bij elke levering aan distributeur, pluggers en sync-bibliotheken, zodat het meereist met het bestand.
- De doorgeefverplichting. Neem in sublicenties, subuitgaveovereenkomsten en distributiecontracten op dat de wederpartij het voorbehoud plaatst en in stand houdt op elke vindplaats die zij beheert, en dat zij dat op verzoek aantoont.
- Het eigen, gedateerde register. Houd per werk in de catalogusadministratie bij of er een voorbehoud is, door wie het is gemaakt, waar het staat en sinds welke dag, met een bewaarde schermafdruk of serverrespons erbij. Het collectieve voorbehoud van de beheersorganisatie staat daar los van en dekt alleen het repertoire en de aandelen die in beheer zijn; noteer per werk welk deel daaronder valt en welk deel niet.
- De gesloten kanalen. Voor materiaal dat niet openbaar staat, zoals demoarchieven en gedeelde stemmappen, telt vooral de eerste voorwaarde van artikel 15o: zonder rechtmatige toegang komt een miner aan de uitzondering niet toe. Beperk de toegang en registreer wie hem kreeg.
De datum in punt vijf is het punt waarop deze inventarisatie zich later terugbetaalt. Een voorbehoud werkt vooruit, niet achteruit: het beschermt niet tegen een verzameling die vorig jaar is opgebouwd. Wie kan aantonen dat het voorbehoud er op een bepaalde dag stond, heeft een vraag te stellen over alles wat daarna is verzameld.
Drie clausules die vandaag in het uitgeefcontract horen
De eerste is de bevoegdheidsclausule: zij benoemt wie het voorbehoud maakt, verplicht de ander het te respecteren, en regelt wat er gebeurt als de componist voor een deel van de catalogus of voor haar eigen aandeel wil weigeren. De tweede is de licentieclausule voor trainingsgebruik, met een instemmingsvereiste per aanbieder en een eigen verdeelsleutel, los van de gewone uitgaveafdracht. De derde is de informatieclausule: de uitgever meldt elk verzoek van een modelaanbieder binnen een afgesproken termijn en levert op verzoek bewijs dat het voorbehoud op zijn vindplaatsen staat. Zonder die derde clausule blijven de eerste twee papier.
Wie wil weten hoe de eigen contracten er op deze drie punten voor staan, kan ze laten nakijken met de contractscan, die uitgave-, licentie- en distributieafspraken langs de clausules loopt die hier aan de orde zijn; achtergrond over de onderliggende afspraken staat bij muziekcontracten.
Of de componist uit het voorbeeld haar vier titels kon tegenhouden, valt zonder haar contract en haar aandelen niet te zeggen. Voor haar eigen aandeel in de twee titels die zij alleen schreef, is een voorbehoud goed verdedigbaar; voor de twee die zij voor haar overleden collega afmaakte, hangt het af van de erfgenamen en van wat er in 2003 precies is overgedragen. Dat zij die vragen pas ging stellen toen er een bod op tafel lag, kostte haar de onderhandelingspositie waarin het antwoord iets waard was geweest. Wetsteksten en aangehaalde publicaties geraadpleegd op 27 augustus 2026. Gepubliceerde informatie, geen juridisch advies over een concreet geval.